• Zorg

    Een grootvader is met zijn kleinzoon onderweg; de jongen is een jaar of acht, zijn opa al te oud om zorgeloos te kunnen reizen. Hardop plant de oude man hun route, benoemt de mogelijkheden en obstakels, vertelt nog maar eens hoe ze bij het museum kunnen komen als er ergens onderweg een verstoring is.
    ‘En weet je wat we vanavond eten, jongen?’, vraagt hij hoopvol.
    ‘Nee?’
    ‘Oma maakt bami voor jou. Vind je dat lekker?’
    Heel even is het stil.
    De jongen, blijkbaar goed opgevoed: ‘ik éét het wel. Ik vind het niet héél lekker. Maar ik éét het wel. Maar om nou te zeggen, écht heel lekker…’
    ‘Anders halen we een patatje’, zegt opa snel. ‘Dat moet je dan niet tegen oma zeggen, maar dan heb je ‘s avonds gewoon niet zoveel trek.’
    Hij kweekt herinneringen.
    Wanneer hij straks al dood is denkt zijn kleinzoon misschien nog aan deze dag, aan hoe ze samen stiekem een patatje aten.
    Bij het volgende station stappen ze uit.
    ‘Voorzichtig jongen’, zegt de oude man, ‘voorzichtig dat je er niet tussen valt.’
    Met één sprong staat de jongen op het perron. Wacht daar op zijn opa, die moeizaam en stram de trein verlaat.


    Eerdere berichten