• Vader

    Hij komt binnen met zijn vader die zwaar op hem leunt. Ze zijn zwart, ze zouden in Amerika kunnen wonen, ze dragen kleren die je niet vaak ziet in Nederland.
    Wanneer de oude man gaat zitten blijft de jonge staan, respectvol, en als de conductrice om de kaartjes vraagt is hij vriendelijk, voorkomend, bijna uitbundig dankbaar.
    Dan zegt de oude man iets tegen hem en hij gaat achter de conducteur aan.
    ‘Waar de WC is?’, vraagt hij. Die is er niet, toch niet in deze trein, daarover is nog in de krant gediscussieerd. Het moet een debat geweest zijn dat deze man ontgaan is.
    ‘Daar kan ik niets aan doen’, herhaalt hij de woorden van de conducteur, ‘wat is dat, daar kan ik niets aan doen?’
    De oude man gaat staan, zwaar leunend op de stoelen voor hem, terwijl zijn zoon tegen hem praat in een taal die ik niet kan verstaan.
    Hij ziet eruit alsof iemand hem een klap gegeven heeft, één die hij al verwachtte maar die hem desalniettemin vernietigt. Nog terwijl hij staat wordt langzaam zijn linkerbroekspijp nat.
    Even blijft hij staren naar een verte waar niemand van ons is. Dan zakt hij naar beneden, met gebogen hoofd.


    Eerdere berichten