• Jong

    Hij werd wakker doordat Fifí eerst laag, aanhoudend gromde en daarna scherp begon te blaffen. Toen hoorde hij zelf de stappen op het dak. Verstijfd aaide hij de trillende hond naast hem, luisterde.
    ‘Hier, kom dan!’
    ‘Als we hier gepakt worden zijn we er zo geweest.’
    ‘Ja?’
    Dat laatste van een meisje, haar stem vol van bewondering. De kiezels op het dak knerpten onder hun voeten, ze hadden jonge, dronken stemmen. Hij stond op uit bed en schoof het dakraam open. ‘Zeg jongens’, zei hij zwakjes, ‘doe maar niet.’
    ‘Waarom niet meneer?’
    ‘Er komt lekkage van, het is slecht voor het dak’, maar hij wist al dat hij niet had moeten antwoorden, dat het nooit een echte vraag geweest was.   
    ‘Awkward, awkward’, zei de jongen.
    Lachend renden ze weg.
    Hij bleef nog even bij het raam staan, was zich nu scherp bewust van zijn uiterlijk, zijn gestreepte pyjama, zijn kalende hoofd.
    ‘Ach, die studenten’, zou hij later willen zeggen tegen iemand, misschien de slager, ‘we zijn toch allemaal ooit jong geweest.’


    Eerdere berichten